1.050 Geboden van het Nieuwe Testament

 

Er staan 1.050 geboden in het Nieuwe Testament om door christenen te worden gehoorzaamd. Vanwege herhalingen kunnen we die classificeren onder 69 titels. Ze omvatten elk aspect van het menselijke leven in zijn relatie tot God en tot zijn medemens voor nu en in de toekomst. Indien gehoorzaamt, zullen ze rijke beloning brengen, nu en voor de eeuwigheid. Worden ze niet gehoorzaamd dan zullen ze veroordeling brengen en eeuwige bestraffing.

Zeven ‘onthoudingen' - Zich onthouden van:

  1. Afgoden (HANDELINGEN 15:20)
  2. Overspel (HANDELINGEN 15:20,29; 1 THESSALONICENSEN 4:2-3)
  3. Verstikt vlees (HANDELINGEN 15:20)
  4. Het eten van bloed (HANDELINGEN 15:20)
  5. Aan afgoden geofferd vlees (HANDELINGEN 15:29)
  6. Alle vormen van kwaad (1 THESSALONICENSEN 5:22)
  7. Vleselijke lusten (1 PETRUS 2:11)

Zeven dingen om te vermijden:

  1. Onruststokers (ROMEINEN 16:17)
  2. Ongoddelijk en ijdel geklets (1 TIMÓTHEÜS 6:20)
  3. Leugenachtige wetenschap (1 TIMÓTHEÜS 6:20)
  4. Unlearned questions (2 TIMÓTHEÜS 2:23)
  5. Dwaze vragen (TITUS 3:9)
  6. Geslachtsrekeningen (TITUS 3:9)
  7. Strijd over de wet (TITUS 3:9)

 Drie ‘vragen':

  1. Bidt en u zal gegeven worden (MATTHÉÜS 7:7)
  2. Vraag geen goederen terug (LUKAS 6:30)
  3. Vraag leven voor afvalligen (1 JOHANNES 5:16)

Twee dingen om tot te ontwaken: 

  1. Waak op tot gerechtigheid (1 KORINTHE 15:34)
  2. Ontwaakt tot het leven (ÉFEZE 5:14)

Vierenzeventig keer ‘Weest & Zijt' en andere geboden:

  1. Verheugt u (MATTHÉÜS 5:12)
  2. Verzoent u eerst met u broeder (MATTHÉÜS 5:24)
  3. Weest volmaakt (MATTHÉÜS 5:48; 2 KORINTHE 13:11)
  4. Zijt voorzichtig gelijk de slangen (MATTHÉÜS 10:16)
  5. Zijt oprecht gelijk de duiven (MATTHÉÜS 10:16)
  6. Weest bereid voor de komst van Christus (MATTHÉÜS 24:44; LUKAS 12:40)
  7. Laat u vergenoegen met uw bezoldigingen (LUKAS 3:14)
  8. Weest barmhartig zoals God (LUKAS 6:36)
  9. Weest als getrouwe dienstknechten (LUKAS 12:36)
  10. Weest dankbaar (KOLOSSENZEN 3:15)
  11. Zijt vreedzaam onder elkaar (1 THESSALONICENSEN 5:13)
  12. Zijt lankmoedig jegens allen (1 THESSALONICENSEN 5:14; 2 TIMÓTHEÜS 2:24)
  13. Heb geen gemeenschap met de zonde (1 TIMÓTHEÜS 5:22)
  14. Weest nuchter en hoopt (1 PETRUS 1:13)
  15. Zijt nuchter en bid (1 PETRUS 4:7)
  16. Zijt nuchter, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid (oudere mannen, TITUS 2:2)
  17. Weest voorzichtig, hebt uw mannen en kinderen lief (jonge vrouwen, TITUS 2:4)
  18. Zijt matig (jonge mannen, TITUS 2:6)
  19. Zijt in gedrag gelijk de heiligen betaamt (oudere vrouwen, TITUS 2:3)
  20. Zijt matig, kuis, bewaart het huis, weest goed, onderdanig (jonge vrouwen, TITUS 2:5)
  21. Zijt bereid tot verantwoording van de hoop die in u is (1 PETRUS 3:15)
  22. Hebt goeden moed (JOHANNES 16:33)
  23. Wordt gedoopt (HANDELINGEN 2:38)
  24. Bekeert u (HANDELINGEN 3:19)
  25. Wordt veranderd (ROMEINEN 12:2)
  26. Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde (ROMEINEN 12:10; ÉFEZE 4:32)
  27. Zijt vurig van geest (ROMEINEN 12:11)
  28. Zijt geduldig in de verdrukking (ROMEINEN 12:12)
  29. Tracht naar herbergzaamheid (ROMEINEN 12:13)
  30. Weest bevreesd, indien wetteloos (ROMEINEN 13:4)
  31. Weest geen afgodendienaar (1 KORINTHE 10:7)
  32. Weest Paulus navolgers, zoals hij Christus navolgde (1 KORINTHE 11:1; FILIPPENZEN 3:17)
  33. Zijt navolgers God (ÉFEZE 5:1)
  34. Zijt volgers van de gelovigen en lankmoedigen (HEBREEËN 6:12)
  35. Weest geen kinderen in het verstand (1 KORINTHE 14:20)
  36. Wordt in het verstand volwassen (1 KORINTHE 14:20)
  37. Zijt standvastig (1 KORINTHE 15:58)
  38. Zijt onbewegelijk (1 KORINTHE 15:58)
  39. Weest altijd overvloedig in het werk van de Heer (1 KORINTHE 15:58)
  40. Zijt sterk in de Heer (1 KORINTHE 16:13; ÉFEZE 6:10; 2 TIMÓTHEÜS 2:1)
  41. Zijt getroost (2 KORINTHE 13:11)
  42. Weest eensgezind (ROMEINEN 12:162 KORINTHE 13:11; FILIPPENZEN 2:2; 1 PETRUS 3:8)
  43. Scheidt u af van het onreine (2 KORINTHE 6:17)
  44. Weest vernieuwd in de geest (ÉFEZE 4:23)
  45. Wordt toornig en zondig niet (ÉFEZE 4:26)
  46. Zijt goedertieren jegens elkander (ÉFEZE 4:32)
  47. Wordt vervuld met den Geest (ÉFEZE 5:18)
  48. Zijt gelijkgestemd (FILIPPENZEN 2:2)
  49. Zijt van een gemoed (FILIPPENZEN 2:2)
  50. Weest in geen ding bezorgd (FILIPPENZEN 4:6)
  51. Zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid (1 TIMÓTHEÜS 4:12)
  52. Weest deelnemer aan het lijden van Christus (2 TIMÓTHEÜS 1:8; verg. 1 PETRUS 4:1)
  53. Weest vriendelijk jegens allen (2 TIMÓTHEÜS 2:24)
  54. Weest bekwaam om te leren (2 TIMÓTHEÜS 2:24)
  55. Houd aan, tijdelijk en ontijdelijk (2 TIMÓTHEÜS 4:2)
  56. Sta in voor goede werken (TITUS 3:8,14; verg. MATTHÉÜS 5:16)
  57. Zijt vergenoegd met wat u hebt (HEBREEËN 13:5)
  58. Zijt daders des Woords (JAKOBUS 1:22)
  59. Gedraagt u als ellendigen en treurt (JAKOBUS 4:9)
  60. Zijt lankmoedig tot de terugkomst van Christus (JAKOBUS 5:7-8)
  61. Weest heilig in al uw wandel (gedrag) (1 PETRUS 1:15-16)
  62. Zijt medelijdend (1 PETRUS 3:8)
  63. Zijt vriendelijk (1 PETRUS 3:8)
  64. Weest voorbeelden der kudde, niet als heerschappij voerende over Gods erfdeel (1 PETRUS 5:3)
  65. Zijt elkander onderdanig (1 PETRUS 5:5)
  66. Zijt met ootmoedigheid bekleed (1 PETRUS 5:5)
  67. Weest nuchter (1 PETRUS 5:8)
  68. Waakt (1 PETRUS 5:8)
  69. Zijt gedachtig aan profetieën en geboden (2 PETRUS 3:2)
  70. Benaarstigt u dat gij bevonden moogt worden in vrede (2 PETRUS 3:14)
  71. Benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk zijt (2 PETRUS 3:14)
  72. Zijt getrouw tot den dood (OPENBARING 2:10)
  73. Zijt wakende en versterk het overige (OPENBARING 3:2)
  74. Weest ijverig en bekeert u (OPENBARING 3:19)

Dertig keer ‘Weest & Zijt niet' en andere geboden:

  1. Weest niet gelijk de geveinsden wanneer gij bidt (MATTHÉÜS 6:5)
  2. Weest niet gelijk de heidenen in gebed (MATTHÉÜS 6:7)
  3. Weest niet gelijk de geveinsden wanneer gij vast (MATTHÉÜS 6:16)
  4. Gij zult niet "Rabbi" genaamd worden (MATTHÉÜS 23:8)
  5. Noch zult gij “meester” genoemd worden (MATTHÉÜS 23:10)
  6. Vreest niet de mensen (LUKAS 12:4)
  7. Weest niet wankelmoedig (LUKAS 12:29)
  8. Zijt niet vele meesters (JAKOBUS 3:1)
  9. Vreest niet uit vreze voor hen (1 PETRUS 3:14)
  10. Wordt niet ontroerd (1 PETRUS 3:14)
  11. Weest niet onverschillig met de tijd van God (2 PETRUS 3:8; verg. JESAJA 57:16)
  12. Dwaalt niet: 10 groepen die het Koninkrijk niet beërven (1 KORINTHE 6:9-10)
  13. Wordt dezer wereld niet gelijkvormig (ROMEINEN 12:2)
  14. Zijt niet traag in het benaarstigen (ROMEINEN 12:11)
  15. Zijt niet wijs bij uzelven (ROMEINEN 12:16)
  16. Wordt door het kwade niet overwonnen (ROMEINEN 12:21)
  17. Wordt geen dienstknechten der mensen (1 KORINTHE 7:23)
  18. Weest geen kinderen in het verstand (1 KORINTHE 14:20)
  19. Weest niet misleid door kwaad gezelschap (1 KORINTHE 15:33)
  20. Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen (2 KORINTHE 6:14-15)
  21. Wordt niet wederom bevangen met het houden van de wet (GALATEN 5:1. Zie: 'vijfentachtig Oude en Nieuwe verbondscontrasten')
  22. Dwaalt niet: wat de mens zaait, zal hij oogsten (GALATEN 6:7-8)
  23. Zijt geen medegenoten van zondaars (ÉFEZE 5:7)
  24. Zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij (ÉFEZE 5:17)
  25. Wordt niet dronken van wijn (ÉFEZE 5:18)
  26. Vertraagt er niet in goed te doen (2 THESSALONICENSEN 3:13)
  27. Schaam u niet voor het getuigenis onzes Heeren (2 TIMÓTHEÜS 1:8)
  28. Wordt niet traag (HEBREEËN 6:12)
  29. Vergeet de herbergzaamheid niet (HEBREEËN 13:2)
  30. Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen (HEBREEËN 13:9

Veertien keer ‘Wacht u voor' en andere geboden:

  1. Wacht u voor valse profeten (MATTHÉÜS 7:15)
  2. Wacht u voor de mensen (MATTHÉÜS 10:17)
  3. Wacht u voor den zuurdesem (leer) der farizeeën (MATTHÉÜS 16:6-12)
  4. Wacht u voor de zuurdesem (leer) van Heródes (MARKUS 8:15)
  5. Wacht uzelven voor geveinsdheid (LUKAS 12:1)
  6. Wacht u voor gierigheid (LUKAS 12:15)
  7. Wacht u voor de schriftgeleerden (MARK 12:38; LUKAS 20:46)
  8. Let erop dat u niet God veracht en omkomt (HANDELINGEN 13:40-41)
  9. Ziet op de honden (valse leraren) (FILIPPENZEN 3:2; JESAJA 56:10)
  10. Ziet toe op de kwade arbeiders (FILIPPENZEN 3:2)
  11. Ziet toe op de versnijding (Joden, FILIPPENZEN 3:2)
  12. Ziet toe niet vervoerd te worden door filosofie (KOLOSSENZEN 2:8)
  13. Ziet toe niet vervoerd te worden door ijdele verleiding (KOLOSSENZEN 2:8)
  14. Wacht u er voor dat u niet afvalt (2 PETRUS 3:17)

Vier dingen om in te geloven:

  1. Het evangelie (MARKUS 1:15)
  2. Gods bestaan (HEBREEËN 11:6)
  3. Jezus Christus (1 JOHANNES 3:23)
  4. God beloont hen die naarstig zoeken (HEBREEËN 11:6)

Een ding om niet te geloven:

  1. Gelooft niet een iegelijken geest (1 JOHANNES 4:1)

Twee categorieën om te zegenen:

  1. Degenen die u vervloeken (MATTHÉÜS 5:44; LUKAS 6:28)
  2. Vervolgers (ROMEINEN 12:14)

Drie dingen om uit / weg te werpen:

  1. De balk uit uw oog (MATTHÉÜS 7:5; LUKAS 6:42)
  2. Duivels (MATTHÉÜS 10:8)
  3. Al uw bekommernis op God (1 PETRUS 5:7)

Twee categorieën om te troosten:

  1. Christenen onder elkaar (1 THESSALONICENSEN 4:18; 1 THESSALONICENSEN 5:11)
  2. De kleinmoedigen (1 THESSALONICENSEN 5:14)

Zes groepen om te eren:

  1. Vaders (MATTHÉÜS 19:19; MARKUS 10:19; LUKAS 18:20; ÉFEZE 6:2)
  2. Moeders (MATTHÉÜS 19:19; MARKUS 10:19; LUKAS  18:20; ÉFEZE 6:2)
  3. De andere (ROMEINEN 12:10)
  4. Weduwen (1 TTIMÓTHEÜS 5:3)
  5. Alle mensen (1 PETRUS 2:17)
  6. Koningen - regeerders  (1 PETRUS 2:17)

Vijf dingen om te bevelen:

  1. Onberispelijk te zijn (1 TIMÓTHEÜS 5:7)
  2. De rijke niet hoogmoedig te zijn (1 TIMÓTHEÜS 6:17)
  3. De rijke in God te vertrouwen (1 TIMÓTHEÜS 6:17)
  4. De rijke weldadig te zijn (1 TIMÓTHEÜS 6:18)
  5. De rijke het eeuwige leven te verkrijgen (1 TIMÓTHEÜS 6 :19)

Vijf dingen om over na te denken:

  1. De raven (LUKAS 12:24)
  2. De leliën (LUKAS 12:27-28)
  3. Waarheid (2 TIMÓTHEÜS 2:7)
  4. Dat een mens vallen kan (GALATEN 6:1)
  5. Christus (HEBREEËN 3:1; HEBREEËN 12:3)

Drie dingen om mee door te gaan:

  1. Liefde (JOHANNES 15:9)
  2. Gebed (ROMEINEN 12:12; KOLOSSENZEN 4:2)
  3. Waarheid (2 TIMÓTHEÜS 3:14)

Twee dingen om te begeren:

  1. De beste gaven (1 KORINTHE 12:31)
  2. Te profeteren (1 KORINTHE 14:39); verg: dingen om niet te begeren (ÉXODUS 20:17; DEUTERONOMIUM 5:21)

Een ding om niet te verwerpen:

  1. Je vrijmoedigheid in God (HEBREEËN 10:35)

Twee dingen om te verdragen:

  1. Verdrukkingen (2 TIMÓTHEÜS 2:3)
  2. Lijden (2 TIMÓTHEÜS 4:5)

Wie te vrezen:

  1. God (MATTHÉÜS 10:28; LUKAS 12:5; 1 PETRUS 2:17; OPENBARING 14:7

Drie dingen om niet te vrezen:

  1. Mensen (MATTHÉÜS 10:28; LUKAS 12:5)
  2. Vervolgers (MATTHÉÜS 10:26)
  3. Geen gebrek aan voorzienigheid (MATTHÉÜS 10:31; MARKUS 6:8-9; LUKAS 12:7)

Vijf dingen om te voeden:

  1. Vijanden (ROMEINEN 12:20)
  2. Lammeren (JOHANNES 21:15)
  3. Schapen (JOHANNES 21:16-17)
  4. De kudde Gods (1 PETRUS 5:2)
  5. De kerk (HANDELINGEN 20:28)

Vier dingen om van te ‘vlieden':

  1. Hoererij (1 KORINTHE 6:18)
  2. Afgodendienst (1 KORINTHE 10:14)
  3. Schadelijke begeerlijkheden (1 TIMÓTHEÜS 6:9-11)
  4. De begeerlijkheden der jonkheid (2 TIMÓTHEÜS 2:22)

Tien keer ‘Doe':

  1. Doet wel dengenen die u haten (MATTHÉÜS 5:44; LUKAS 6:27)
  2. Doet aan anderen wat gij van hen verwacht (MATTHÉÜS 7:12; LUKAS 6:31)
  3. Doet niemand overlast aan (LUKAS 3:14)
  4. Doet goed (LUKAS 6:35; ROMEINEN 13:3)
  5. Doet dit (God voorop stellen) en leef (LUKAS 10:28)
  6. Doet het al ter ere Gods (1 KORINTHE 10:31; KOLOSSENZEN 3:17,23)
  7. Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken (FILIPPENZEN 2:14)
  8. Doet hetgeen gij in mij gezien en gehoord hebt (Paulus, FILIPPENZEN 4:9)
  9. Doet uw eigen dingen (1 THESSALONICENSEN 4:11)
  10. Doe het werk van een evangelist (2 TIMÓTHEÜS 4:5)

Tien keer ‘Doe Niet' en andere geboden:

  1. Doe uw aalmoes niet voor de mensen (MATTHÉÜS 6:1)
  2. Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten (MATTHÉÜS 6:2)
  3. Doet niet de werken der farizeeën (MATTHÉÜS 23:3-33)
  4. Laat ons niet liefhebben met den woorde alleen (1 JOHANNES 3:18)
  5. Begeef je niet tot fabelen (1 TIMÓTHEÜS 1:4)
  6. Begeef je niet tot geslachtsrekeningen (1 TIMÓTHEÜS 1:4)
  7. Dwaalt niet (JAKOBUS 1:16)
  8. Gij zult geen overspel doen (JAKOBUS 2:11)
  9. Gij zult niet doden (JAKOBUS 2:11)
  10. Wordt niet gelijkvormig aan begeerlijkheden van vroeger (1 PETRUS 1:14)

Tien dingen om te volgen:

  1. Christus  (MATTHÉÜS 4:19; MATTHÉÜS 8:22; MATTHÉÜS 16:24; MARKUS 8:34; MARKUS 10:21; LUKAS 9:23; JOHANNES 21:19)
  2. Liefde (1 KORINTHE 14:1; 1 TIMÓTHEÜS 6:11; 2 TIMÓTHEÜS 2:22)
  3. Het goede (1 THESSALONICENSEN 5:15; 3 JOHANNES 1:11)
  4. Gerechtigheid (1 TIMÓTHEÜS 6:11; 2 TIMÓTHEÜS 2:22)
  5. Godzaligheid (1 TIMÓTHEÜS 6:11)
  6. Geloof (1 TIMÓTHEÜS 6:11; 2 TIMÓTHEÜS 2:22)
  7. Lijdzaamheid  (1 TIMÓTHEÜS 6:11)
  8. Zachtmoedigheid (1 TIMÓTHEÜS 6:11)
  9. Vrede  (2 TIMÓTHEÜS 2:22; HEBREEËN 12:14)
  10. Heiligheid (HEBREEËN 12:14)

Zeven dingen over het geven:

  1. Het is bevolen: geef  (LUKAS 6:38)
  2. Aan wie te geven:
    • Die iets van u bidt (MATTHÉÜS 5:42; LUKAS 6:30)
    • De behoeften der heiligen (ROMEINEN 12:13)
    • God (KOLOSSENZEN 3:17; OPENBARING 14:7)
  3. Aan wie niet te geven:
    • Geef niets wat heilig is aan rebellen (MATTHÉÜS 7:6)
    • Geef satan geen plaats (ÉFEZE 4:27)
  4. Wat te geven:
    • Heilige dingen (MATTHÉÜS 7:6; MATTHÉÜS 10:8)
    • Geef dank (ÉFEZE 5:20; FILIPPENZEN 4:6; KOLOSSENZEN 3:17; 1 THESSALONICENSEN 5:18)
    • Geef tijd voor lezen, vermaning, lering (1 TIMÓTHEÜS 4:13)
    • Geef jezelf geheel (1 TIMÓTHEÜS 4:15)
    • Geef eer aan God (OPENBARING 14:7)
  5. Wat niet te geven:
    • Geef geen aanstoot (1 KORINTHE 10:32)
    • Geef geen acht op fabelen en geboden der mensen (TITUS 1:14)
  6. Hoe te geven:
    • Vrijmoedig (MATTHÉÜS 10:8; 2 KORINTHE 9:6)
    • Een goede maat (LUKAS 6:38)
    • Naardat men welvaren verkregen heeft (1 KORINTHE 16:2)
    • Vrijwillig (2 KORINTHE 8:12)
    • Met een doel (2 KORINTHE 9:7)
    • Blijmoedig (2 KORINTHE 9:7)
  7. Beloofde zegeningen wanneer je geeft:
    • Teruggave op basis van geven  (LUKAS 6:38; 2 KORINTHE 9:6)
    • Beloning  (MATTHÉÜS 10:42)
    • Alle genade overvloedig hebbende  (2 KORINTHE 9:8)
    • Alle genade overvloedig (2 KORINTHE 9:8)
    • Eeuwige gerechtigheid (2 KORINTHE 9:9)
    • Vermeerderde vruchten (2 KORINTHE 9:10)
    • Rijk worden in alles (2 KORINTHE 9:11)

Zes dingen om af te leggen:

  1. Boosheid (JAKOBUS 1:21)
  2. Alle kwaadheid (1 PETRUS 2:1)
  3. Alle bedrog (1 PETRUS 2:1)
  4. Alle schijnheiligheid (1 PETRUS 2:1)
  5. Alle nijdigheid (1 PETRUS 2:1)
  6. Alle kwaadsprekerij (1 PETRUS 2:1)

Zeven dingen om te houden:

  1. Houdt de geboden (MATTHÉÜS 19:17; JOHANNES 14:15)
  2. Vermengt u niet met de 6 soorten zogenaamde christenen uit 1 KORINTHE 5:11
  3. Bewaar uzelven rein (1 TIMÓTHEÜS 5:22)
  4. Houdt de geboden van het evangelie totdat Christus terugkomt (1 TIMÓTHEÜS 6:14)
  5. Bewaar het goede pand dat je toebetrouwd is (2 TIMÓTHEÜS 1:14)
  6. Bewaart uzelven van de afgoden (1 JOHANNES 5:21)
  7. Bewaart uzelven in Gods liefde (JUDAS 1:21)

Vijf keer ‘Gaat':

  1. Gaat twee mijlen (MATTHÉÜS 5:41)
  2. Gaat en onderwijst (MATTHÉÜS 28:19-20)
  3. Gaat en predikt (MARKUS 16:15)
  4. Gaat niet van huis tot huis (LUKAS 10:7)
  5. Gaat heen en doe gij desgelijks (LUKAS 10:37)

Zeven keer ‘Hebt':

  1. Hebt geloof (MARKUS 11:22; ROMEINEN 14:22-23)
  2. Hebt geen gemeenschap met de duisternis (ÉFEZE 5:11)
  3. Hebt geen aanneming des persoons (1 TIMÓTHEÜS 5:21; JAKOBUS 2:1-10)
  4. Hebt een eerlijke wandel (1 PETRUS 2:12)
  5. Hebt barmhartigheid (1 PETRUS 3:8; JUDAS 1:22)
  6. Hebt een goed geweten (1 PETRUS 3:16)
  7. Hebt vurige liefde (1 PETRUS 4:8)

Veertien keer ‘Houd':

  1. Voorthoudende het Woord des levens  (FILIPPENZEN 2:16)
  2. Behoudt het goede (1 THESSALONICENSEN 5:21)
  3. Houd christelijke tradities (2 THESSALONICENSEN 2:15; 2 THESSALONICENSEN 3:6)
  4. Houd geloof (1 TIMÓTHEÜS 1:19; 1 TIMÓTHEÜS 3:9)
  5. Houd een goed geweten (1 TIMÓTHEÜS 1:19)
  6. Houd de gezonde woorden (2 TIMÓTHEÜS 1:13)
  7. Houd de gezonde woorden (OPENBARING 2:25)
  8. Houd dat gij hebt (OPENBARING 3:11)
  9. Houd uw kroon (OPENBARING 3:11)
  10. Hold reputation of ministers (FILIPPENZEN 2:29)
  11. Houd het eeuwige leven (1 TIMÓTHEÜS 6:12,19)
  12. Houd hoop (HEBREEËN 6:18)
  13. Houd de roem der hoop (HEBREEËN 3:6,14)
  14. Houd wat gij ontvangen en gehoord hebt (OPENBARING 3:3)

Honderd keer ‘Laat' en andere geboden:

  1. Laat uw licht schijnen (MATTHÉÜS 5:16; LUKAS 12:35)
  2. Laat zijn uw woord ja, neen (MATTHÉÜS 5:37; JAKOBUS 5:12)
  3. Laat uw vijand ook uw mantel (MATTHÉÜS 5:40; LUKAS 6:29)
  4. Laat blinde leidslieden varen (MATTHÉÜS 15:14)
  5. Laat een ieder zichzelf verloochenen (MATTHÉÜS 16:24; MARKUS 8:34; LUKAS 9:23)
  6. Laat een ieder zijn kruis op nemen  (MATTHÉÜS 16:24; MARKUS 8:34; MARKUS 10:21; LUKAS 9:23)
  7. Laat hem horen (MARKUS 4:23; LUKAS 14:35)
  8. Laat hem delen met de behoeftigen (LUKAS 3:11)
  9. Laat uw lendenen omgord zijn (LUKAS 12:35)
  10. Laat een ieder zijn male en buidel nemen (LUKAS 22:36)
  11. Laat hem zijn kleed verkopen en een zwaard kopen (LUKAS 22:36)
  12. Laat uw liefde ongeveinsd zijn (ROMEINEN 12:9)
  13. Laat een ieder de wetten van het land gehoorzamen (ROMEINEN 13:1)
  14. Laat een ieder zijn eigen sabbatdag kiezen (ROMEINEN 14:5-7; KOLOSSENZEN 2:14-17)
  15. Laat een ieder erop toezien hoe hij bouwt op Christus (1 KORINTHE 3:10)
  16. Niemand bedriege zichzelven (1 KORINTHE 3:18)
  17. Laat iedere man zijn eigen vrouw hebben (1 KORINTHE 7:2)
  18. Laat ieder vrouw haar eigen man hebben (1 KORINTHE 7:2)
  19. Late echtgenoten elkaar bevredigen in hun seksuele relatie (1 KORINTHE 7:4-5)
  20. Laat hen die zich niet kunnen onthouden, trouwen (1 KORINTHE 7:9)
  21. Laat mannen en vrouwen ongetrouwd blijven als ze elkaar verlaten of zich weer verzoenen (1 KORINTHE 7:11)
  22. Laat de ongelovige scheiden die wil scheiden (1 KORINTHE 7:15)
  23. Laat iedere man in zijn roeping blijven (1 KORINTHE 7:17-24)
  24. Laat niemand besnijding ongedaan proberen te maken (1 KORINTHE 7:18)
  25. Laat niemand zich besnijden (als een religieus ritueel, 1 KORINTHE 7:18)
  26. Laat een vader zijn dochter ten huwelijk geven als zij dat wenst (1 KORINTHE 7:36-38)
  27. Laat hem die meent te staan toezien dat hij niet valle (1 KORINTHE 10:12)
  28. Laat niemand uit eigenbelang rijkdom zoeken (1 KORINTHE 10:24)
  29. Laat de vrouw haar haar snijden als zij niet bedekt is (1 KORINTHE 11:6)
  30. Laat de vrouw zich bedekken als het lelijk is voor haar geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben (1 KORINTHE 11:6)
  31. Laat iedereen zichzelf onderzoeken wanneer hij brood en beker neemt (1 KORINTHE 11:28)
  32. Laat de hongerige thuis eten, niet tijdens brood en beker (1 KORINTHE 11:34)
  33. Laat degene die in tongen spreekt, bidden voor de uitlegging ervan (1 KORINTHE 14:13)
  34. Laat alle dingen geschieden tot stichting (1 KORINTHE 14:26)
  35. Laat ten hoogste drie in tongen spreken tijdens een dienst (1 KORINTHE 14:27)
  36. Laat één het uitleggen (1 KORINTHE 14:27)
  37. Laat het gevoelen van Christus in u zijn (FILIPPENZEN 2:5)
  38. Laat uw bescheidenheid alle mensen bekend zijn (FILIPPENZEN 4:5)
  39. Laat uw begeerten bekend worden bij God (FILIPPENZEN 4:6)
  40. Laat u dan niemand oordele in spijs of in drank, heilige dagen, nieuwe maan en sabbatdagen (KOLOSSENZEN 2:14-17; ROMEINEN 14:5-7)
  41. Laat niemand uw beloning beroven door een ijdele religie (KOLOSSENZEN 2:18)
  42. Laat vrede in uw hart heersen (KOLOSSENZEN 3:15)
  43. Laat het Woord in u wonen (KOLOSSENZEN 3:16)
  44. Laat uw woorden aangenaam zijn (KOLOSSENZEN 4:6)
  45. Laat niemand u verleiden over de dag van Christus die komt (2 THESSALONICENSEN 2:3)
  46. Laat niemand uw jonkheid verachten (1 TIMÓTHEÜS 4:12)
  47. Laat de spreker in tongen zwijgen in de gemeente dat hij tot zichzelf en God spreke als er geen uitlegger is (1 KORINTHE 14:28)
  48. Laat twee of drie profeten spreken en dat de anderen oordelen (1 KORINTHE 14:29)
  49. Laat de een na de ander profeteren (1 KORINTHE 14:30)
  50. Laat de vrouwen stil leren in de gemeente of thuis. (1 KORINTHE 14:34-35; 1 TIMÓTHEÜS 2:11)
  51. Laat een ieder erkennen dat de regeling der geestelijke gaven de geboden van de Heere zijn (1 KORINTHE 14:37)
  52. Laat de rebellerende tegen de waarheid onwetend blijven (1 KORINTHE 14:38)
  53. Laat alle dingen worden gedaan in goede orde (1 KORINTHE 16:2)
  54. Laat een ieder geven naar dat hij van God welvaren verkregen heeft (1 KORINTHE 16:2)
  55. Laat alles in liefde geschieden (1 KORINTHE 16:14)
  56. Laat een ieder blijmoedig geven (2 KORINTHE 9:7)
  57. Laat hen die rebelleren tegen de waarheid, vervloekt zijn (1 KORINTHE 16:22; GALATEN 1:8-9)
  58. Laat een ieder zijn eigen werk beproeven (GALATEN 6:4)
  59. Laat hen die onderwezen worden hem steunen die onderwijst (GALATEN 6:6)
  60. Laat de dief niet meer stelen (ÉFEZE 4:28)
  61. Laat de dief werken inplaats van te stelen zodat hij anderen kan geven (ÉFEZE 4:28)
  62. Laat geen vuile rede uit uw mond komen (ÉFEZE 4:29)
  63. Laat bitterheid, toornigheid, gramschap, geroep en lastering en alle boosheid van u weg (ÉFEZE 4:31)
  64. Laat niemand u verleiden met ijdele woorden (ÉFEZE 5:6)
  65. Laat de vrouwen aan hun mannen onderworpen zijn (ÉFEZE 5:22,24; KOLOSSENZEN 3:18; 1 PETRUS 3:1-6)
  66. Laat de mannen hun vrouwen lief hebben (ÉFEZE 5:25,28,33; KOLOSSENZEN 3:19; 1 PETRUS 3:7)
  67. Laat de vrouwen hun mannen vreze (ÉFEZE 5:33)
  68. Laat u wandel waardig zijn zoals het voor het Evangelie van Christus hoort (FILIPPENZEN 1:27)
  69. Doet geen ding door twisting of ijdele eer (FILIPPENZEN 2:3)
  70. Laat de een de ander uitnemender achten dan zichzelven (FILIPPENZEN 2:3)
  71. Laat de ouderlingen die wel regeren dubbele eer waardig geacht worden (betaald worden)  (1 TIMÓTHEÜS 5:17)
  72. Laat dienstknechten hun meesters eren (1 TIMÓTHEÜS 6:1)
  73. Laat meesters hun dienstknechten respecteren (1 TIMÓTHEÜS 6:2)
  74. Laat iedere christen afstand nemen van ongerechtigheid (2 TIMÓTHEÜS 2:19)
  75. Dat niemand u verachten (TITUS 2:15)
  76. Dat de broederlijke liefde blijft (HEBREEËN 13:1)
  77. Uw wandel zij zonder geldgierigheid (HEBREEËN 13:5)
  78. Laat lijdzaamheid volmaakt zijn (JAKOBUS 1:4)
  79. Laat iemand die wijsheid ontbreekt God erom vragen (JAKOBUS 1:5)
  80. Laat hem vragen in geloof (JAKOBUS 1:6)
  81. Laat de verhevene zich verheugen (JAKOBUS 1:9)
  82. Laat de nederige zich verheugen (JAKOBUS 1:10)
  83. Laat niemand zeggen ik wordt verzocht door God (JAKOBUS 1:13)
  84. een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn (JAKOBUS 1:19)
  85. Laat de verstandige zijn wijsheid en kennis bewijzen (JAKOBUS 3:13)
  86. Laat de lichthartige zondaars berouw krijgen (JAKOBUS 4:9)
  87. Laat degene die lijdt, bidden (JAKOBUS 5:13)
  88. Laat de blijmoedige psalmzingen (JAKOBUS 5:13)
  89. Laat de zieken de ouderlingen roepen (JAKOBUS 5:14)
  90. Laat de ouderlingen bidden voor de zieken, hen zalven met olie (JAKOBUS 5:14-15; verg. MARKUS 6:13)
  91. Laat versiering meer innerlijk dan uiterlijk zijn (1 PETRUS 3:3-4; 1 TIMÓTHEÜS 2:9-10)
  92. Laat een ieder zijn tong weerhouden van kwaad en zijn lippen van bedrog (1 PETRUS 3:10)
  93. Laat een ieder wijken van het kwaad, goed doen, de vrede zoeken en denzelve najagen (1 PETRUS 3:11)
  94. Laat predikanten voor God spreken (1 PETRUS 4:11)
  95. Laat niemand lijden als een doodslager, dief, kwaaddoener of bemoeizuchtige (1 PETRUS 4:15)
  96. Laat niemand zich schamen die als een christen lijdt, maar dankbaar zijn (1 PETRUS 4:16)
  97. Laat hen die lijden als christenen hun zielen bevelen aan God (1 PETRUS 4:19)
  98. Laat het eeuwige leven in u blijven (1 JOHANNES 2:24-25)
  99. Laat niemand u misleiden over rechtvaardig zijn (1 JOHANNES 3:7)
  100. Laat hem die oren heeft, horen (OPENBARING 2:7,11,17,29; OPENBARING 3:6,13,22)

Twaalf keer ‘Laat niet':

  1. Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet  (MATTHÉÜS 6:3)
  2. Laat geen mens hen die getrouwd zijn, scheiden (MATTHÉÜS19:6)
  3. Laat van het goede geen kwaad gesproken worden (ROMEINEN 14:16)
  4. Laat de zonde niet in het lichaam heersen (ROMEINEN 6:12)
  5. Laat hem die eet, hem niet verachten die niet eet (ROMEINEN 14:3)
  6. Laat hem die niet eet, niet hem veroordelen die wel eet (ROMEINEN 14:3)
  7. Laat de vrouw niet van de man scheiden (1 KORINTHE 7:10)
  8. Laat de man niet zijn vrouw verlaten (1 KORINTHE 7:11)
  9. Laat de christen niet de ongelovige partner verlaten als die bij hem wil blijven (1 KORINTHE 7:12-13)
  10. Laat de zon niet ondergaan over uw toornigheid (ÉFEZE 4:26)
  11. Laat er geen hoererij, onreinigheid, gierigheid, vuiligheid, zot geklap en gekkernij genoemd worden onder u gelijkerwijs het den heiligen betaamt (ÉFEZE 5:3-4)
  12. Laat onwaardige weduwen niet gesteund worden door de kerk (1 TIMÓTHEÜS 5:9-16)

Tweeënveertig keer ‘Laten we':

  1. Laten ons eerlijk wandelen (ROMEINEN 13:13)
  2. Laten we afleggen de werken der duisternis (ROMEINEN 13:12)
  3. Laten we aandoen de wapenen des lichts (ROMEINEN 13:12)
  4. Laten ons najagen hetgeen tot den vrede dient (ROMEINEN 14:19)
  5. Laten we najagen hetgeen tot de stichting dient (ROMEINEN 14:19)
  6. Laat een ieder van ons zijn naaste behagen ten goede (ROMEINEN 15:2-3)
  7. Laten we oprecht zijn (1 KORINTHE 5:8)
  8. Laten ons geen hoereerders zijn (1 KORINTHE 10:8)
  9. Laten ons Christus niet verzoeken (1 KORINTHE 10:9)
  10. Laten we niet murmureren (1 KORINTHE 10:10)
  11. Laten we ons reinigen van de besmetting van lichaam en geest (2 KORINTHE 7:1)
  12. Laten we de heiligmaking voleindigen (2 KORINTHE 7:1)
  13. Laten we in de Geest wandelen (GALATEN 5:25)
  14. Laten ons niet zoekers zijn van ijdele eer (GALATEN 5:26)
  15. Laten we elkaar niet tergen (GALATEN 5:26)
  16. Laten we elkaar niet benijden (GALATEN 5:26)
  17. Laten we niet moede worden het goede te doen (GALATEN 6:9)
  18. Laten we goed doen aan allen (GALATEN 6:10)
  19. Laten we vooral goed doen aan mede christenen (GALATEN 6:10)
  20. Laten wij die rijp zijn, jagen naar het doel (FILIPPENZEN 3:14-15)
  21. Laten ons naar denzelfden regel wandelen (FILIPPENZEN 3:16)
  22. Laten we hetzelfde gevoelen (FILIPPENZEN 3:16)
  23. Laten we niet geestelijk slapen (1 THESSALONICENSEN 5:6)
  24. Laten we waken en nuchter zijn  (1 THESSALONICENSEN 5:6,8)
  25. Laten ons vergenoegd zijn met voedsel en kleding (1 TIMÓTHEÜS 6:8)
  26. Laten we vrezen onze ziel te verliezen (HEBREEËN 4:1-2)
  27. Laten we ons benaarstigen naar onze verlossing (HEBREEËN 4:11)
  28. Laten we aan onze belijdenis vasthouden (HEBREEËN 10:23)
  29. Laten we met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade (HEBREEËN 4:16; HEBREEËN 10:19-23)
  30. Laten we doorgaan tot de volmaaktheid (HEBREEËN 6:1)
  31. Let us draw near to God (HEBREEËN 10:22)
  32. Laten we onze onderlinge bijeenkomsten voor aanbidding niet nalaten (HEBREEËN 10:24)
  33. Let us not forsake assembling together in worship (HEBREEËN 10:25)
  34. Laten we elkaar vermanen (HEBREEËN 10:25)
  35. Laten we ieder last afleggen (HEBREEËN 12:1)
  36. Laten we de zonde die ons omringt afleggen (HEBREEËN 12:1)
  37. Laten we de loopbaan met lijdzaamheid lopen (HEBREEËN 12:1)
  38. Laten we op Jezus zien (HEBREEËN 12:2)
  39. Laten we de genade vasthouden om God te dienen (HEBREEËN 12:28)
  40. Laten we de smaad van Christus dragen (HEBREEËN 13:13)
  41. Laten we voortdurend ons offer van lofprijs offeren (HEBREEËN 13:15)
  42. Laten ons elkander liefhebben (1 JOHANNES 4:7,11)

Acht keer ‘Laten we niet':

  1. Laten we niet wandelen in brasserijen (ROMEINEN 13:13)
  2. Laten we niet wandelen in dronkenschap (ROMEINEN 13:13)
  3. Laten we niet wandelen in ontuchtigheden (ROMEINEN 13:13)
  4. Laten we niet wandelen in losbandigheid (ROMEINEN 13:13)
  5. Laten we niet wandelen in twist (ROMEINEN 13:13)
  6. Laten we niet wandelen in nijdigheid (ROMEINEN 13:13)
  7. Laten we elkaar niet oordelen in twijfelachtige zaken (ROMEINEN 14:13)
  8. Laten we elkaar geen aanstoot of ergernis geven (ROMEINEN 14:13

Drie manieren om te leven:

  1. Leef vreedzaam (ROMEINEN 12:18; 2 KORINTHE 13:11)
  2. Leef vrij van angsten en overmatige zorgen (1 KORINTHE 7:28-35)
  3. Leef niet langer in de lusten van de zonde (1 PETRUS 4:2)

Vier geboden om ‘lief te hebben':

  1. Hebt uw vijanden lief (MATTHÉÜS 5:44; LUKAS 6:27,35)
  2. Hebt uw christenbroeders lief (JOHANNES 13:34; JOHANNES 15:12,17; GALATEN 5:14; 1 PETRUS 2:17; 1 JOHANNES 3:23; 2 JOHANNES 1:5)
  3. Hebt de broederschap lief (1 PETRUS 2:17)
  4. Hebt uw broeder lief (1 JOHANNES 4:21)

Twee dingen om niet lief te hebben:

  1. De wereld (1 JOHANNES 2:15)
  2. De dingen van de wereld (1 JOHANNES 2:15)

Drie manieren om lief te hebben:

  1. Vurig (1 PETRUS 2:22)
  2. Met een rein hart (1 PETRUS 2:22)
  3. Als broeders (1 PETRUS 3:8)

Een Persoon om tot te bidden:

Bid tot de Vader (MATTHÉÜS 6:6; MATTHÉÜS 6:9; JOHANNES 16:23-26

Drie dingen om voor te bidden:

  1. Je vervolgers (MATTHÉÜS 5:44; LUKAS 6:28)
  2. Voor arbeiders (MATTHÉÜS 9:38; LUKAS 10:2)
  3. Voor elkaar (JAKOBUS 5:16)

Twee manieren waarop je niet moet bidden:

  1. Gebruik geen ijdel verhaal van woorden zoals de heidenen (MATTHÉÜS 6:7)
  2. Bidt niet zoals de geveinsden (MATTHÉÜS 6:5)

Drie manieren om te bidden:

  1. Bid op deze wijze (MATTHÉÜS 6:9-13)
  2. Vraag, zoek, klop (MATTHÉÜS 7:7-11)
  3. Bid in de Geest (JUDAS 1:20)

Vier dingen om te beproeven:

  1. Beproeft uzelven (2 KORINTHE 13:5)
  2. Beproeft wat de Heere welbehagelijk is (ÉFEZE 5:10)
  3. Beproeft alle dingen (1 THESSALONICENSEN 5:21)
  4. Beproeft beschuldigingen tegen ouderlingen (1 TIMÓTHEÜS 5:19)

Twee geboden om je te verheugen:

  1. Verblijdt u  (MATTHÉÜS 5:12; ROMEINEN 15:10)
  2. Verblijdt u ten allen tijd  (1 THESSALONICENSEN 5:16)

Acht keer ‘Doe weg':

  1. Doe alle boze mensen weg uit de gemeente (1 KORINTHE 5:13)
  2. Doe leugens weg (ÉFEZE 4:25)
  3. Doe alle bitterheid weg (ÉFEZE 4:31)
  4. Doe toornigheid weg (ÉFEZE 4:31)
  5. Doe gramschap weg (ÉFEZE 4:31)
  6. Doe al geroep weg (ÉFEZE 4:31)
  7. Doe lastering weg (ÉFEZE 4:31)
  8. Doe alle boosheid weg (ÉFEZE 4:31)

Zes keer ‘Leg af':

  1. Leg af de oude mens (ÉFEZE 4:22; KOLOSSENZEN 3:9)
  2. Leg af gramschap  (KOLOSSENZEN 3:8)
  3. Leg af toornLeg af toorn (KOLOSSENZEN 3:8)
  4. Leg af kwaadheid (KOLOSSENZEN 3:8)
  5. Leg af godslastering (KOLOSSENZEN 3:8)
  6. Leg af vuil spreken (KOLOSSENZEN 3:8)

Twaalf keer ‘Doe aan':

  1. Doe Jezus Christus aan (ROMEINEN 13:14)
  2. Doe aan de wapenen des lichts (ROMEINEN 13:12)
  3. Doe aan de nieuwe mens (ÉFEZE 4:24; KOLOSSENZEN 3:10)
  4. Doe de gehele wapenrusting Gods aan (ÉFEZE 6:11,13)
  5. Put on the bowels of mercy (KOLOSSENZEN 3:12)
  6. Doe aan goedertierenheid (KOLOSSENZEN 3:12)
  7. Doe aan ootmoedigheid (KOLOSSENZEN 3:12)
  8. Doe aan zachtmoedigheid (KOLOSSENZEN 3:12)
  9. Doe aan lankmoedigheid (KOLOSSENZEN 3:13)
  10. Doe aan de liefde (KOLOSSENZEN 3:14)
  11. Doe aan het borstwapen des geloofs en der liefde (1 THESSALONICENSEN 5:8)
  12. Doe aan de hoop der zaligheid (1 THESSALONICENSEN 5:8)

Een groep om niet te vermanen:

Ouderen (1 TIMÓTHEÜS 5:1)

Drie dingen om te vermanen:

  1. Die zondigen (1 TIMÓTHEÜS 5:20)
  2. Rebellen (TITUS 1:13)
  3. Werken der duisternis (ÉFEZE 5:11)

Twee manieren om te vermanen:

  1. Met allen ernst (TITUS 2:15)
  2. Met alle lankmoedigheid (2 TIMÓTHEÜS 4:2)

Vier dingen om je in te verheugen:

  1. Hoop (ROMEINEN 12:12)
  2. Zegeningen van anderen (ROMEINEN 12:15)
  3. De Heere  (FILIPPENZEN 3:1; FILIPPENZEN 4:4)
  4. Lijden voor Christus (1 PETRUS 4:13)

Vijf dingen om te herinneren:

  1. Waaruit je gered bent (ÉFEZE 2:11-12)
  2. Zij die lijden (HEBREEËN 13:3)
  3. Zij die je leiden (HEBREEËN 13:7)
  4. Waarheid (JUDAS 17-18; OPENBARING 3:3)
  5. Afval en bekering (OPENBARING 2:5)

Vier dingen om naar te zoeken:

  1. Gods koninkrijk eerst (MATTHÉÜS 6:33; LUKAS 12:31)
  2. God, in gebed (MATTHÉÜS 7:7)
  3. Stichting van de gemeente (1 KORINTHE 14:12)
  4. Dingen die boven zijn (KOLOSSENZEN 3:1)

Een gebod om vast te staan:

  1. Sta vast en houdt de christelijke inzettingen (2 THESSALONICENSEN 2:15)

Drie dingen om vast mee te staan:

  1. Lenden omgord met de waarheid
  2. Borstwapen der gerechtigheid
  3. Voeten geschoeid met de bereidheid van het Evangelie des vredes (ÉFEZE 6:14-15)

Vijf dingen om in te staan:

  1. Geloof  (1 KORINTHE 16:13)
  2. Vrijheid (GALATEN 5:1)
  3. Één geest (FILIPPENZEN 1:27)
  4. Één gemoed (FILIPPENZEN 1:27)
  5. De Heere (FILIPPENZEN 4:1)

Acht dingen om aan te denken:

  1. Dingen over je ware zelf (ROMEINEN 12:3; 1 KORINTHE 3:18)
  2. Waarachtige dingen
  3. Eerlijke dingen
  4. Rechtvaardige dingen
  5. Reine dingen
  6. Liefelijke dingen
  7. Dingen van goede roeping
  8. Dingen van deugd (FILIPPENZEN 4:8)

Een manier om te denken:

Denk nuchter (ROMEINEN 12:3)

Vijf geboden ‘je te onderwerpen':

  1. Weest elkander onderdanig (ÉFEZE 5:21)
  2. Onderwerp je aan God (JAKOBUS 4:7)
  3. Onderwerp je aan iedere menselijke ordening (1 PETRUS 2:13-14; ROMEINEN 13:1-8)
  4. Jongeren moeten zich aan de ouderen onderwerpen (1 PETRUS 5:5)
  5. Vrouwen weest uw mannen onderdanig (ÉFEZE 5:22; KOLOSSENZEN 3:18; 1 PETRUS 3:1-6)

Twaalf keer ‘Zijt & Neem':

  1. Zijt niet bezorgd over de noodzakelijke dingen van het leven (MATTHÉÜS 6:25,31; LUKAS 12:22-30)
  2. Zijt dan niet bezorgd over morgen (MATTHÉÜS 6:34)
  3. Zijt niet bezorgd over u verdediging (MATTHÉÜS 10:19; MARKUS 13:9-11; LUKAS 12:11-12; LUKAS 21:14)
  4. Neem mijn juk op u (MATTHÉÜS 11:29)
  5. Maak gebruik van vrijheid (1 KORINTHE 7:21)
  6. Neem het avondmaal in herinnering aan Christus (1 KORINTHE 11:24-26)
  7. Neem het schild des geloofs (ÉFEZE 6:16)
  8. Neem de helm der zaligheid (ÉFEZE 6:17)
  9. Neem het zwaard des Geestes (ÉFEZE 6:17)
  10. Neem gewilliglijk het opzicht over de kudde (1 PETRUS 5:2)
  11. Neem overzicht over de kudde Gods zonder gedachte aan persoonlijk gewin (1 PETRUS 5:2)
  12. Neem de laatste plaats (LUKAS 14:8)

Achtien keer ‘Ziet erop toe & Hebt acht':

  1. Hebt acht dat gij u aalmoes niet doet voor de mensen (MATTHÉÜS 6:1)
  2. Ziet toe dat gij niet een van deze kleinen veracht  (MATTHÉÜS 18:10)
  3. Ziet toe, dat u niemand verleide (MATTHÉÜS 24:4; MARKUS 13:5; LUKAS 21:8)
  4. Ziet erop toe, wat gij hoort (MARKUS 4:24)
  5. Ziet dan, hoe gij hoort (LUKAS 8:18)
  6. Ziet erop toe in het licht te wandelen (LUKAS 11:35)
  7. Zie erop toe te vermanen en te vergeven (LUKAS 17:3)
  8. Zie erop toe niet dronken te worden (LUKAS 21:34)
  9. Zie erop toe niet te brassen (LUKAS 21:34)
  10. Zie erop toe niet door zorgen overmand te worden (LUKAS 21:34)
  11. Zie toe op jezelf (MATTHÉÜS13:9; LUKAS 17:3; LUKAS 21:34; HANDELINGEN 20:28)
  12. Ziet op de kudde Gods (HANDELINGEN 20:28)
  13. Zie erop toe niet je vrijheid te misbruiken (1 KORINTHE 8:9)
  14. Zie erop toe dat je niet valt (1 KORINTHE 10:12; ROMEINEN 11:21)
  15. Zie toe op je bediening (KOLOSSENZEN 4:17)
  16. Zie erop toe dat je elkaar niet vernietigt (GALATEN 5:15)
  17. Heb acht op uzelven en de leer (1 TIMÓTHEÜS 4:16)
  18. Zie erop toe niet af te wijken (HEBREEËN 3:12)

Twee manieren waarop je niet moet wandelen:

  1. Als zondaars (ÉFEZE 4:17)
  2. Als onwijzen (ÉFEZE 5:15)

Vier keer ‘gij zult':

  1. Gij zult God alleen aanbidden (MATTHÉÜS 4:10; LUKAS 4:8)
  2. Gij zult God alleen dienen (MATTHÉÜS 4:10; LUKAS 4:8)
  3. Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven (MATTHÉÜS 5:43; MATTHÉÜS 19:19; MATTHÉÜS 22:39; MARKUS 12:31; LUKAS 10:27; ROMEINEN 13:9; GALATEN 5:14)
  4. Gij zult de Heere uw God liefhebben met geheel uw hart (MATTHÉÜS 22:37; MARKUS 12:30; LUKAS 10:27)

Zeven dingen om in te wandelen:

  1. De Geest (GALATEN 5:16)
  2. Liefde (ÉFEZE 5:2)
  3. Het licht (ÉFEZE 5:8-9; 1 JOHANNES 1:7)
  4. Waakzaamheid (ÉFEZE 6:18)
  5. Christus (KOLOSSENZEN 2:6-7; 2 KORINTHE 5:17)
  6. Wijsheid (KOLOSSENZEN 4:5)
  7. Eerlijkheid (1 THESSALONICENSEN 4:12)

Acht keer ‘Gij zult niet':

  1. Gij zult de Heere niet verzoeken (MATTHÉÜS 4:7; LUKAS 4:12)
  2. Gij zult niet doden (MATTHÉÜS 5:21; MATTHÉÜS 19:18; MARKUS 10:19; LUKAS 18:20; ROMEINEN 13:9)
  3. Gij zult geen overspel plegen (MATTHÉÜS 5:27-28; MATTHÉÜS 19:18; LUKAS 18:20; ROMEINEN 13:9)
  4. Gij zult niet bidden om door de mensen te worden gezien (MATTHÉÜS 6:5)
  5. Gij zult niet stelen (MATTHÉÜS 19:18; MARKUS 10:19; LUKAS 18:20; ROMEINEN 13:9)
  6. Gij zult geen valse getuigenis geven (MATTHÉÜS 19:18; MARKUS 10:19; LUKAS 18:20; ROMEINEN 13:9)
  7. Gij zult niet begeren (ROMEINEN 13:9)
  8. Gij zult een dorsenden os niet muilbanden (1 KORINTHE 9:9; 1 TIMÓTHEÜS 5:18)

200 verschillende geboden:

  1. Hebt een afkeer van het boze (ROMEINEN 12:9)
  2. Een opziener moet zijn: (zie karakteristieken in 1 TIMÓTHEÜS 3:2-7; TITUS 1:6-9)
  3. Blijf in Christus (JOHANNES 15:4)
  4. Blijf bij wie waardig is (MATTHÉÜS 10:11-13; MARKUS 6:10; LUKAS 9:4; LUKAS 10:5-8)
  5. Ontvreemdt niemand het zijne met bedrog (LUKAS 3:14)
  6. Ontvreemdt niemand het zijne met bedrog (2 PETRUS 1:5-7)
  7. Geef je eigen nutteloosheid toe (LUKAS 17:10)
  8. Vermaant elkander (KOLOSSENZEN 3:16)
  9. Vermaant de ongeregelden (2 THESSALONICENSEN 3:15)
  10. Weest welgezind jegens uw wederpartij (MATTHÉÜS 5:25)
  11. Staat geen vrijheid toe die je tot zonde verleidt (1 KORINTHE 10:25-30)
  12. Sta geen lust naar het boze toe in je lichaam (1 THESSALONICENSEN 4:5)
  13. Sta geen zegening en vervloeking toe uit dezelfde mond (JAKOBUS 3:10)
  14. Zalf je hoofd en was je aangezicht als je vast (MATTHÉÜS 6:17)
  15. Wapen jezelf met een gemoed te lijden voor Christus (1 PETRUS 4:1)
  16. Wreek jezelf niet (ROMEINEN 12:19)
  17. Ontwaak van de dood tot het licht (ÉFEZE 5:14)
  18. Draagt elkanders lasten (GALATEN 6:2)
  19. Gedraagt u als mannen (1 KORINTHE 16:13)
  20. Wens een valse leraar geen geluk toe (2 JOHANNES 1:10-11)
  21. Lever bewijs van je bekering (MATTHÉÜS 3:8; LUKAS 3:8)
  22. Breng je kinderen groot in de Heer (ÉFEZE 6:4)
  23. Bouw je geloof op (JUDAS 1:20)
  24. Nodig de armen uit op je feest (LUKAS 14:13)
  25. Kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam (ÉFEZE 6:1; KOLOSSENZEN 3:20)
  26. Reinigt de melaatsen (MATTHÉÜS 10:8)
  27. Reinigt de handen, gij zondaars (JAKOBUS 4:8)
  28. Hangt het goede aan (ROMEINEN 12:9)
  29. Verzamel alleen wat je toekomt (LUKAS 3:13)
  30. Gaat uit het midden van hen (2 KORINTHE 6:17)
  31. Beveel en leer deze dingen (1 TIMÓTHEÜS 4:11; 1 TIMÓTHEÜS 6:2)
  32. Betrouw de waarheid getrouwe mensen aan (2 TIMÓTHEÜS 2:2)
  33. Belijdt elkander de misdaden (JAKOBUS 5:16)
  34. Reken het als vreugde wanneer je verzocht wordt (JAKOBUS 1:2)
  35. Snijd de leden af die aanstoot geven (MATTHÉÜS 5:29-30; MATTHÉÜS 18:8-9)
  36. MARKUSDiakenen moeten zijn:  (zie 1 TIMÓTHEÜS 3:8-12)
  37. Gij zult geen valse getuigenis geven (MARKUS 10:19)
  38. Ijvert om de geestelijke gaven (1 KORINTHE 14:1)
  39. Zijt zeer begerig naar de melk van het Woord (1 PETRUS 2:2)
  40. Veracht de profetieën niet (1 THESSALONICENSEN 5:20)
  41. Verderf niemand met onbelangrijke dingen (ROMEINEN 14:15; 1 KORINTHE 8:13)
  42. Nadert tot God (JAKOBUS 4:8)
  43. Eet je eigen brood in stilte (2 THESSALONICENSEN 3:12)
  44. Strijdt voor het geloof (JUDAS1:3)
  45. Sticht jezelf met zingen (ÉFEZE 5:19)
  46. Sticht elkaar (1 THESSALONICENSEN 5:11)
  47. Gaat in door de enge (smalle) poort (MATTHÉÜS 7:13; LUKAS 13:24)
  48. Onderzoek jezelf in je geloof (2 KORINTHE 13:5)
  49. Oefen in godzaligheid (1 TIMÓTHEÜS 4:7-8)
  50. Vermaan den dienstknechten dat zij onderdanig zijn (TITUS 2:9-10)
  51. Vermaant elkander ten allen dage (HEBREEËN 3:13)
  52. Vreest niet (LUKAS 12:32)!
  53. Strijd den goeden strijd des geloofs (1 TIMÓTHEÜS 6:12)
  54. Jaagt den vrede na en de heiligmaking (HEBREEËN 12:14)
  55. Verdragende elkander (KOLOSSENZEN 3:13)
  56. Verhindert de kinderen niet (MATTHÉÜS 19:14; MARKUS 10:14; LUKAS 18:16)
  57. Verhindert het spreken in vreemde talen niet (1 KORINTHE 14:39)
  58. Vergeet de mededeelzaamheid niet (HEBREEËN 13:16)
  59. Vergeef 490 keer (MATTHÉÜS 18:22)
  60. Vergeef (MATTHÉÜS 11:25-26; LUKAS 6:37; ÉFEZE 4:32; KOLOSSENZEN 3:13)
  61. Erger je niet over dienstbaarheid (2 KORINTHE 7:21)
  62. Omgord de lenden uws verstands (1 PETRUS 1:13)
  63. Geeft den toorn plaats (ROMEINEN 12:19)
  64. Geef uw vijand water te drinken (ROMEINEN 12:20)
  65. Geef geen oorzaak van lastering aan de wederpartij (1 TIMÓTHEÜS 5:14)
  66. Eer God in lichaam en geest (2 KORINTHE 6:20; verg. ROMEINEN 12:1-2)
  67. Bedroeft den Heiligen Geest niet (ÉFEZE 4:30)
  68. Wast op in de genade en kennis (2 PETRUS 3:18)
  69. Zucht niet tegen elkander (JAKOBUS 5:9)
  70. Verhardt uw harten niet (HEBREEËN 3:8-15)
  71. Haat de rok die van het vlees bevlekt is (JUDAS 1:23)
  72. Heb geen aanzien der persoon (partijdigheid, vooroordeel) (1 TIMÓTHEÜS 5:21)
  73. Heb dezelfde liefde (FILIPPENZEN 2:2)
  74. Heb geen gemeenschap met de werken der duisternis (ÉFEZE 5:11)
  75. Geneest de kranken (MATTHÉÜS 10:8; LUKAS 10:9)
  76. Help de waarheid te verspreiden (3 JOHANNES 1:8)
  77. Vernedert u (JAKOBUS 4:10; 1 PETRUS 5:6)
  78. Mannen, hebt uw eigen vrouwen lief (ÉFEZE 5:25,28; KOLOSSENZEN 3:19; 1 PETRUS 3:7)
  79. Mannen, weest niet bitter tegen uw vrouwen (KOLOSSENZEN 3:19)
  80. Onderwijs rebellen in zachtmoedigheid (2 TIMÓTHEÜS 2:25)
  81. Behandel anderen zoals in 1 TIMÓTHEÜS 5:1-2.
  82. Oordeel niet (MATTHÉÜS 7:1; LUKAS 6:37)
  83. Heb geloof tegenover God voor dingen die niet zijn veroordeelt in de schrift (ROMEINEN 14:22-23)
  84. Weet je lichaam te beheersen (1 THESSALONICENSEN 4:4)
  85. Vergadert geen schatten op aarde (MATTHÉÜS 6:19)
  86. Vergadert schatten in de hemel (MATTHÉÜS 6:20; LUKAS 12:33-34)
  87. Grijp naar het eeuwige leven (1 TIMÓTHEÜS 6:12)
  88. Verlaat je ouders en hang je vrouw aan (MATTHÉÜS 19:5; MARKUS 10:7; ÉFEZE 5:31)
  89. Leen, zonder iets weder te verwachten (LUKAS 6:35)
  90. Liegt niet (KOLOSSENZEN 3:9)
  91. Richt weder op de trage handen (HEBREEËN 12:12)
  92. Een iegelijk zie niet alleen op het zijne (FILIPPENZEN 2:4)
  93. Zie er ijverig op toe niet te verachteren van de genade (HEBREEËN 12:15)
  94. Zie er ijverig op toe dat geen wortel van bitterheid je verontreinigt (HEBREEËN 12:15)
  95. Zie er op toe dat niemand zij een hoereerder (HEBREEËN 12:16-17)
  96. Zie erop toe dat je niet het volle loon verliest (2 JOHANNES 1:8)
  97. Verwacht de barmhartigheid ten eeuwigen levens (JUDAS 1:21)
  98. Heb geen lust tot het kwaad (1 KORINTHE 10:6)
  99. Maakt den boom goed of kwaad (MATTHÉÜS 12:33)
  100. Verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden (ROMEINEN 13:14)
  101. Maak dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij (2 TIMÓTHEÜS 4:5)
  102. Maakt rechte paden (HEBREEËN 12:13)
  103. Neemt acht op hen die tweedracht en ergernissen aanrichten (ROMEINEN 16:17; FILIPPENZEN 3:17)
  104. Neemt acht op hen die zich ongeregeld gedragen (2 THESSALONICENSEN 3:14)
  105. Verwondert u niet als de wereld u haat (1 JOHANNES 3:13)
  106. Meesters, weest goed voor uw dienstknechten (ÉFEZE 6:9; KOLOSSENZEN 4:1)
  107. Mediteer over dingen zoals 1 TIMÓTHEÜS 4:15.
  108. Tracht niet naar hoge dingen (ROMEINEN 12:16)
  109. Dient als goede rentmeesters (1 PETRUS 4:10)
  110. Doodt de leden van het lichaam die aanstoot geven (KOLOSSENZEN 3:5; ROMEINEN 8:12-13)
  111. Weest niet wankelmoedig (LUKAS 12:29)
  112. Niemand bedriege zijn broeder (1 THESSALONICENSEN 4:6)
  113. Verzuim de geestelijke gaven niet (1 TIMÓTHEÜS 4:14; verg. 2 TIMÓTHEÜS 1:6)
  114. Obey your leaders (HEBREEËN 13:17)
  115. Keer de andere wang toe (MATTHÉÜS 5:39; LUKAS 6:29)
  116. Leg niemand haastelijk de handen op (1 TIMÓTHEÜS 5:22)
  117. Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben (ROMEINEN 13:8)
  118. Overwint het kwade door het goede (ROMEINEN 12:21)
  119. Breng de tijd door in vreze (1 PETRUS 1:17)
  120. Betaal uw belastingen (ROMEINEN 13:6)
  121. Betaal wat je schuldig bent (ROMEINEN 13:7)
  122. Looft de Heere (ROMEINEN 15:11)
  123. Predikt (MATTHÉÜS 10:7,27; MARKUS 16:15; 2 TIMÓTHEÜS 4:2)
  124. Stelt uw lichamen tot God (ROMEINEN 12:1)
  125. Doet dingen op een eerlijke manier (ROMEINEN 12:17)
  126. Verwekt uw kinderen niet tot toorn (ÉFEZE 6:4; KOLOSSENZEN 3:21)
  127. Zuivert dan den ouden zuurdesem uit (kwade invloed) (1 KORINTHE 5:7)
  128. Zuiver uw harten van twijfels (JAKOBUS 4:8)
  129. Breng anderen de belangrijke dingen ter gedachtenis (2 TIMÓTHEÜS 2:14)
  130. Blust den geest niet uit (1 THESSALONICENSEN 5:19)
  131. Wekt de doden op (MATTHÉÜS 10:8)
  132. Neemt aan (accepteer) zwakke broeders (ROMEINEN 14:1)
  133. Neemt elkander aan (ROMEINEN 15:7)
  134. Ontvangt het Woord met zachtmoedigheid (JAKOBUS 1:21)
  135. Houd jezelf voor zijnde dood der zonde (ROMEINEN 6:11)
  136. Houd jezelf voor zijnde levend in God (ROMEINEN 6:11)
  137. Herken de waarheid (1 KORINTHE 10:15)
  138. Koop de tijd uit (ÉFEZE 5:16; KOLOSSENZEN 4:5)
  139. Verwerp een ketterse mens (TITUS 3:10)
  140. Weiger jonge weduwen met kerkfondsen te steunen (1 TIMÓTHEÜS 5:11)
  141. Herinner mensen aan de zeven dingen van: TITUS 3:1-2.
  142. Vergeldt geen kwaad met kwaad (1 PETRUS 3:9; ROMEINEN 12:17)
  143. Bekeert u (MATTHÉÜS 3:2; MATTHÉÜS 4:17; MARKUS 1:15; HANDELINGEN 2:38; HANDELINGEN 3:19; OPENBARING 2:16; OPENBARING 3:19)
  144. Weersta de boze niet (MATTHÉÜS 5:38-39)
  145. Weersta den duivel (JAKOBUS 4:7; 1 PETRUS 5:9)
  146. Wijs de afvallige terecht met zachtmoedigheid ziende op uzelven (GALATEN 6:1)
  147. Loopt om de prijs te verkrijgen (1 KORINTHE 9:24)
  148. Groet niemand onderweg (LUKAS 10:4)
  149. Groet je leiders (HEBREEËN 13:24)
  150. Heiligt God in uw harten (1 PETRUS 3:15)
  151. Behoud anderen door vreze (JUDAS 1:23)
  152. Onderzoek de schriften (JOHANNES 5:39)
  153. Vraagt niet naar eten en drinken (LUKAS 12:29)
  154. Verkoop om de behoeftigen te helpen (LUKAS 12:33)
  155. Dien de Heer (ROMEINEN 12:1)
  156. Dienstknechten, gehoorzaam uw heren (ÉFEZE 6:5-8; KOLOSSENZEN 3:22-25; 1 PETRUS 2:18)
  157. Zet de minst geachten tot rechter (1 KORINTHE 6:4)
  158. Bedenkt de dingen die boven zijn (KOLOSSENZEN 3:2)
  159. Schudt het stof uwer voeten af (MATTHÉÜS 10:14; MARKUS 6:11; LUKAS 9:5; LUKAS 10:10-11)
  160. Toon barmhartigheid tot andere predikanten (LUKAS 9:49-50)
  161. Betoon uzelven als een voorbeeld (TITUS 2:7)
  162. Toon vier dingen volgens: TITUS 2:7-8.
  163. Zondigt niet (1 KORINTHE 15:34)
  164. Zingt met aangenaamheid in uw hart (KOLOSSENZEN 3:16)
  165. Mijd ijdel gepraat (2 TIMÓTHEÜS 2:16)
  166. Spreek en doe dingen met het oog op de dag des oordeels (JAKOBUS 2:12)
  167. Spreek de waarheid (ÉFEZE 4:25)
  168. Spreek gezonde leer (TITUS 2:1)
  169. Spreek geen kwaad van je broeders (JAKOBUS 4:11)
  170. Versterk uw harten (JAKOBUS 5:8)
  171. Versterk je slappe knieën (HEBREEËN 12:12)
  172. Strijd gezamenlijk voor het geloof des evangelies (FILÉMON 1:27)
  173. Benaarstig u om stil te zijn (1 THESSALONICENSEN 4:11)
  174. Benaarstigt u (wees ijverig) om uzelven beproeft voor te stellen (2 TIMÓTHEÜS 2:15)
  175. Ondersteunt de zwakken (1 THESSALONICENSEN 5:14)
  176. Ziet toe dat niemand kwaad voor kwaad vergelde (1 THESSALONICENSEN 5:15)
  177. Zweert niet (JAKOBUS 5:12; MATTHÉÜS 5:33-36)
  178. Verwacht elkander (1 KORINTHE 11:33)
  179. Wacht op kracht (LUKAS 24:49; HANDELINGEN 1:4-8)
  180. Leert elkander (KOLOSSENZEN 3:16)
  181. Leer geen andere doctrine dan die der waarheid (1 TIMÓTHEÜS 1:3)
  182. Vertel eerst je broeder alleen van zijn fout (MATTHÉÜS 18:15-17)
  183. Vertouw op God voor al je behoeften terwijl je werkt (MATTHÉÜS 10:9; LUKAS 9:3; LUKAS 10:4)
  184. Versta de wil van God (ÉFEZE 5:17)
  185. Gebruik je vrijheid niet als gelegenheid te zondigen (GALATEN 5:13; 1 PETRUS 1:16)
  186. Zijt herbergzaam zonder murmureren (1 PETRUS 4:9)
  187. Vermaant de ongeregelden (1 THESSALONICENSEN 5:14)
  188. Waakt en bidt (MATTHÉÜS 24:42; MATTHÉÜS 25:13; MARKUS 13:33,35; MARKUS 14:38; LUKAS 21:36; ÉFEZE 6:18; KOLOSSENZEN 4:2)
  189. Wees wakker in alles (2 TIMÓTHEÜS 4:5; 1 KORINTHE 16:13)
  190. Weent met de anderen (ROMEINEN 12:15)
  191. Onttrek je aan ongeregelde broeders (2 THESSALONICENSEN 3:6,14)
  192. Onttrek je aan boosaardige mensen (1 TIMÓTHEÜS 6:3-6)
  193. Vrouwen van diakenen moeten zijn: (zie 1 TIMÓTHEÜS 3:11)
  194. Vrouwen, weest uw mannen onderdanig (ÉFEZE 5:22; KOLOSSENZEN 3:18; 1 PETRUS 3:1-6)
  195. Werk met je eigen handen (1 THESSALONICENSEN 4:11)
  196. Werk of eet niet (2 THESSALONICENSEN 3:10-11)
  197. Werk je eigen verlossing uit (FILÉMON 2:12)
  198. Stelt uwe leden niet der zonde (ROMEINEN 6:13)
  199. Stelt uzelven Gode (ROMEINEN 6:13)
  200. Stelt uw leden tot gerechtigheid (ROMEINEN 6:13)

Twee eeuwige rechten van de verlosten:

  1. Recht op de boom des levens
  2. Recht om het Nieuwe Jeruzalem binnen te gaan

Bron: ‘Dake's Study Notes' door Finis Jennings Dake